Mei 2019

M D W D V Z Z
29 30 1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31 1 2
 
 

The dark side of Brussels: feiten en f®ictie

The dark side of Brussels: feiten en f®ictie

Brussel wordt al jarenlang regelmatig geconfronteerd met een conflictueuze verstandhouding tussen ordediensten en allochtone jongeren. Vooral in Anderlecht en Sint-Jans-Molenbeek kunnen de gemoederen oplopen. De betreffende wijken worden door redeloze ‘multi-criminele’ en ‘multi-recidivistische’ jongeren ‘veroverd’. De sensatie weerklinkt in de media: “Combi’s worden geblutst, ramen willekeurig ingegooid, er wordt creatief omgegaan met straatmeubilair, vuilnisbakken worden in brand gestoken, auto’s beschadigd…De politie antwoordt met rechtstreekse confrontaties, waterkanonnen, knuppels, peperspray… en hardhandige arrestaties”. De wijk wordt uiteindelijk opnieuw opgeëist door de politie. De politie wordt gedreven door het uitschakelen van zogenaamde ‘no go’-zones. Deze schermutselingen worden vaak impliciet voorgesteld als een strategische dynamiek tussen allochtonen en autochtonen om de controle over de openbare ruimte.

Er wordt in deze geschiedenis duchtig met moraliserende vinger naar de jongeren gewezen. Het ligt niet in het opzet van dit artikel om een kant te kiezen noch om agressief optreden in welke hoedanigheid ook te legitimeren. Ik wil wel even met jullie stilstaan bij de manier waarop de veiligheidsproblematiek door verschillende actoren geconstrueerd wordt: niet enkel de jongeren hebben hier een aandeel in, ook het optreden van de politie, alarmerende boodschappen van politici, de berichtgeving door de media, interventies van verenigingen en organisaties…ook de structuur van het onderwijs, de arbeidsmarkt en onze sociale (on)zekerheid. Zij dragen allemaal hun steentje bij aan het (on)veiligheidsgevoel en de effectieve (on)veiligheid. Een adequate oplossing moet zich dus niet enkel focussen op de ‘daders’, maar dient kritisch rekening te houden met al de factoren die het (on)veiligheidsgevoel en de effectieve (on)veiligheid mee construeren.

Wie zijn ‘zij’?

Volgens het Brussels armoederapport 2009 van het observatorium voor gezondheid en welzijn in Brussel is het aandeel vroegtijdige schoolverlaters bij Brusselse jongeren met een niet-Europese (EU- 27) nationaliteit (35,3 %) dubbel zo hoog als bij jongeren uit de Europese Unie (16,9 %). Een kwart van de vroegtijdige schoolverlaters (26,0 %) is werkloos, iets meer dan een derde (36,3 %) heeft een job. De overige vroegtijdige schoolverlaters zijn niet actief op de arbeidsmarkt (37,6 %). De werkloosheidsgraad in Brussel is het hoogst voor de jongste leeftijdsgroepen. Eén derde van de jongvolwassen Brusselaars (15-24 jarigen) die zich aanbieden op de arbeidsmarkt (werkende en werkzoekende) blijft werkloos. Brusselaars van buiten de Europese Unie zijn twee keer vaker werkloos (28,1 %) dan Brusselaars met EU27-nationaliteit (14,7 %).

Als we rekening houden met voornoemde cijfers kunnen we stellen dat veel niet-Europese jongeren in Brussel in hun contact met maatschappelijke instellingen telkens weer te maken krijgen met de controlerende en sanctionerende aspecten van deze instellingen en minder genieten van de positieve aspecten ervan. Dit is een interactief en cumulatief proces dat uiteindelijk resulteert in een zekere vervreemding tegenover belangrijke instituties in onze samenleving en tegenover onze samenleving tout court. De positie van deze jongeren in het onderwijs en op de arbeidsmarkt spreekt hier boekdelen. Een disproportioneel deel van onze jongeren verlaat de school vroegtijdig en vervalt in de werkloosheid. Vanuit deze vervreemding vinden veel jongeren troost in de straatcultuur. Deze wordt volgens Iliass Elhadioui, socioloog aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam, gekenmerkt door de verheerlijking van geweld, materialisme en brutaliteit. Het is het leven van de straat, de zoektocht van grote ego’s naar het snelle geld, fast-food, nightlife en merkkleding.

Succes, geld, rijkdom en status worden aanbeden. Integere waarden, ethiek of zelfreflectie zijn ver te zoeken. Vorm en verschijning maken plaats voor inhoud. Niettemin blijft het m.i. een cultuurvariant en kan er geen sprake zijn van cultuurdeficiëntie. Enkel in deze dynamiek van maatschappelijke kwetsbaarheid en straatcultuur kan men m.i. eventuele individuele schuldverklaringen zoeken wanneer bijvoorbeeld het bericht circuleert dat de profeet Mohammed een pedofiel of uw moeder een hoer is (*) en er hierdoor rellen uitbreken in Anderlecht en Vorst.

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet

Wat zien we als we de televisie aanzetten, de krant lezen of op het internet surfen? In hun drang naar het maximaliseren van kijk- en leescijfers resulteert de zoektocht van de media naar sensationele berichten in commerciële hyperreële fenomenen, situaties, leefgewoonte, rolpatronen en personages op de beeldbuis of in de krant. Men schept op deze manier een waan van normaliteit rond marginale fenomenen. Zowel structureel als inhoudelijk sluit de media nauw aan bij de hierboven beschreven straatcultuur. Door de zoektocht van grote ceo’s naar het snelle geld, succes, rijkdom en status primeert de vorm van de aangeboden content op de inhoud. Tegenover het hiermee gepaard gaande gebrek aan integere waarden, ethiek of zelfreflectie staat het gegeven dat de media een heel belangrijke rol spelen in onze socialiseringsprocessen.

Media bepalen tot op zekere hoogte onze kaders: ze geven aan wie we zijn, wat onze normen zijn en welke waarden we aanhangen. Ze verschaffen ons de concepten die we nodig hebben om de wereld om ons heen te kunnen interpreteren…Naast de impliciete en expliciete verheerlijking van de straatcultuur in de media, kan men in deze context ook rekening houden met de invloed die ‘hét nieuws’ heeft op de glocalisering van de conflicten die voortvloeien uit het imperialisme van Amerika al dan niet ondersteund door de Navo in Irak, Pakistan, Afghanistan, Palestina, Jemen en wie weet binnenkort Iran. Men dient dit vervolgens ook in het licht te houden met de hiermee gepaard gaande essentialistische veelal negatieve en onverdraagzame berichtgeving over ‘dè islam’.

Als het tenslotte over de jongen Brusselaars zelf gaat, valt het op dat deze zelden op een respectvolle manier in beeld gebracht worden door de reguliere media. We worden geconfronteerd met stereotiepe en negatieve beelden van ‘hangjongeren’ en/of ‘migrantenrellen’. Men focust op onaangepast en crimineel gedrag, succesverhalen of de verhalen van de jongeren zelf komen daarentegen zelden aan bod: deze verkopen immers minder goed. Hoewel agressie in geen beding goed te spreken is, dient men toch rekening proberen te houden met haar communicatieve waarde en betekenis. Doordat er geen debat ten gronde gevoerd wordt over de betekenis van deze rellen (al dan niet met de jongeren zelf), leidt de berichtgeving eerder tot een verdere dualisering en polarisering van het conflict.

De schommel van onrecht

Er heerst in de gemediatiseerde publieke opinie een spanning tussen een gevoel van under-policing en een gevoel van over-policing, twee concepten ontleend aan het onderzoek door professoren Jan Blommaert (Ugent) en Albert Martens (KU Leuven), op vraag van de stad Mechelen om hun visie voor een nieuw lokaal migrantenbeleid te onderbouwen. De spanning tussen under – en over-policing kent haar weerslag op de interventies van de ordediensten. Beide gevoelens kan men via wetenschappelijk onderzoek hard maken en illustreren met pleidooien voor meer of minder politionele interventies. Under-policing betreft het gevoel dat de politie slechts in geringe mate controlerend en repressief optreed t.a.v. [allochtone] jongeren bij wie men crimineel gedrag vermoedt. Het gevoel dat de jongeren heer en meester zijn in de zogenaamde ‘no go’-zones gaat hand in hand met een pleidooi voor een krachtig en effectief politieoptreden.

Kritiek op de manier waarop de politie haar werk doet ten aanzien van de jongeren is uit den boze. Hoewel methodologisch zeer betwist zou men dit gevoel kunnen onderbouwen door het ‘ rapport Van San’. Op vraag van toenmalige Justitieminister Verwilghen onderzocht Marion Van San van de Erasmus-Universiteit van Rotterdam de relatie tussen geregistreerde jeugdcriminaliteit en niet-Belgische jongeren in verschillende Belgische steden in ’97, ’98 en ’99. De door de politiek en media gerecupereerde, dus algemeen gangbare conclusie luidt dat de gemiddelde criminaliteitsgraad van niet-Belgische jonge mannen hoger ligt dan die van Belgen. Illustratief in dit opzicht is de reactie van het Vlaams Belang op de ‘rassenrellen’ eind september 2009 in Molenbeek in De Standaard: ‘De eerste prioriteit nu is een harde aanpak van de criminelen met een consequent beleid van nultolerantie, een sterk verhoogde politieaanwezigheid en meer middelen voor de ordediensten is absoluut noodzakelijk. Indien niet onmiddellijk meer mensen en middelen voor de veiligheidsdiensten kunnen worden vrijgemaakt, moet de overheid desnoods de inzet van het leger als tijdelijke maatregel overwegen.’

Tegenover het gevoel van under-policing staat de indruk dat jongeren gecriminaliseerd en gevictimiseerd worden door het agressieve en eenzijdig gerichte interventiebeleid van de politiemacht. Dit gevoel wordt hard gemaakt door het onderzoek ’Verstedelijking, Sociale Uitsluiting van Jongeren en Straatcriminaliteit’ van Conny Vercaigne en Lode Walgrave beide verbonden aan de onderzoeksgroep jeugdcriminologie van de KULeuven. Volgens deze these is er geen enkele relatie tussen etniciteit, cultuur en criminaliteit. [Allochtone] jongeren worden voor identieke criminele feiten wel vaker aangehouden dan [autochtone] Belgen.

In dit verband kan men terugdenken aan de reactie van Dirk De Block jeugdwerker bij jeugdhuis Centrum-West in Molenbeek in De Morgen naar aanleiding van de rellen tussen hooligans en [allochtone] jongeren in Anderlecht in mei 2008. “Een vriend van me die in de buurt woont, vertelde me gechoqueerd dat hij dinsdag zichtbaar gewapende hooligans op het terras rustig zag keuvelen met politieagenten in uniform. Een buurtbewoner vertelde dat vrijdag baseballknuppels werden uitgedeeld, onder de ogen van de politie. Dat een auto met Marokkaanse gasten onder handen werd genomen, zonder dat de politie ingreep. In de kranten wordt bevestigd dat de hooligans vrijdag op de politie gechargeerd hebben, agenten van hun paard trokken, scandeerden "We willen een dode zien vanavond".

En dan lijkt me de interventie van de politie niet echt evenwichtig. Vrijdag werden meer dan 150 jonge gasten (van vooral Marokkaanse origine) opgepakt, en welgeteld ... één skinhead/hooligan. Toch een beetje raar, nee?” Beiden emoties staan in dialectische verhouding tegenover elkaar. Vanuit het gevoel van under-policing ontstaat er een legitimering voor meer en strengere interventies en bestraffingen, waardoor bij de jongeren die hierdoor gecriminaliseerd worden weer het gevoel van over-policing ontstaat en vice versa. Het is aldus van essentieel belang dat men bij politionele interventies een evenwicht zoekt tussen controlerende en repressieve interventie enerzijds en een doordacht en gecoördineerd (politioneel) preventiebeleid anderzijds.
Straf de armen!?

Na de laatste rellen in Molenbeek, Anderlecht en Vorst was er een politieke consensus voor meer repressieve straffen. Een verdieping en verbreding van de maatregelen tegenover criminele daden moet de jongeren afschrikken en recidive vermijden. Zo is men, op aandringen van De Brusselse korpschef Johan De Becker, Minister van Justitie De Clerck en de Brusselse procureur des Konings Bruno Bulthé de mogelijke invoering van de snelrechtprocedure aan het herbekijken, zodat het parket de feiten sneller zou kunnen opvolgen en de indruk van straffeloosheid weggewerkt kan worden. Daarnaast heeft onze federale minister van Binnenlandse Zaken Annemie Turtelboom, na overleg met de federale en lokale politie en met het justitieel apparaat, de Brusselse operationele politiereserve vijftig bijkomende agenten, een ruimte voor massale arrestaties (kazerne Majoor Géruzet in Etterbeek) en een waterkanon ter beschikking gesteld.

Tenslotte werd er een protocolakkoord tussen de zes politiezones in Brussel ondertekend, waarin een betere samenwerking tussen de zones vooropgesteld werd. 85 agenten uit de zones moeten systematisch paraat staan om steun te verlenen aan een zone waar er zich problemen zouden kunnen voordoen. N-VA en CD&V zouden graag nog een stapje verder gaan en houden een pleidooi voor de fusie van de zes politiezones in Brussel tot één centrale zone. Ze dromen van één grote bestuurszone in Brussel, een soort van Brussel DC naar analogie met Washington, om op deze manier efficiënter te werken en meer ’blauw op straat’ toe te laten. Het voorstel van Bruno De Lille, collegelid van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) voor cultuur, jeugd, sport en ambtenarenzaken om enerzijds de samenwerking tussen Franstalige en Nederlandstalige gemeenschappen te bevorderen en anderzijds om naast het jeugdwerk ook het onderwijs en de arbeidsmarkt in de discussie te betrekken buiten beschouwing gelaten, zijn er weinig tot geen constructieve oplossingsmogelijkheden door politici geformuleerd. De vraag naar welke sociale maatregelen er tegenover de politieke consensus van veiligheid en repressie staan, is hier dus pertinent. Laten we even het voorbeeld nemen van Anderlecht, waar er welgeteld vijf straathoekwerkers actief zijn, ongeveer hetzelfde aantal als er probleemwijken zijn in de gemeente.

Het is in dit licht verhelderend om opnieuw uit het interview met Dirk de Block in De Morgen te citeren: “Is het ook niet sinds twee jaar dat het budget voor jeugd en sociale zaken verkleind is? De nieuwe meerderheid verminderde die immers aanzienlijk. Is het een toeval dat de straathoekwerkers en sportanimatoren steeds met minder zijn? Is het een toeval dat er in Kuregem nauwelijks een gemeentelijk jeugdinitiatief is dat jongeren van zestien jaar en ouder aanspreekt? Vroeger organiseerde de gemeente nog voorvormingen voor het slachthuis en de MIVB, om jongeren aan de slag te helpen, met perspectief op werk, maar dat is ook weggevallen.”

Als we focussen op de wijk Kuregem kunnen we slechts een handvol betekenisvolle initiatieven onderscheiden voor een totaal van +- 11,000 jongeren: le centre de jeune d’Anderlecht, le centre de jeune Avicenne en jeugdhuis Alhambra zijn in deze context noemenswaardig. Jeugdhuis Alhambra werd opgericht na de rellen in 1997 in Anderlecht, naar aanleiding van de moord op een jonge gast door een politieagent. Alhambra werd opgezet ter bevordering van jongerenemancipatie in de Brusselse wijk Kuregem. De vzw werd door de VGC gesubsidieerd als WMKJ - Werking voor maatschappelijk kwetsbare jongeren. Maar de VGC eistte dat WMKJ’s enkel nog zouden werken met Nederlandstalige kinderen waardoor de subsidies werden stopgezet. De tweetalige realiteit van de wijk waarin Alhambra werkte en terecht aan vasthield botste aldus met de ideologische strijd tussen de VGC en de COCOF (Commission communautaire française).

Zinloos geweld?

Het uitbreiden van repressieve mogelijkheden en het terugdringen of voorwaardelijk maken van sociale interventies past in de logica van ‘het beleid van sociale onzekerheid’ zoals beschreven door Loïc Wacquant, professor sociologie aan de universiteit van Californie in Berkley en onderzoeker aan het Centre de sociologie Européenne in Parijs. De opkomst van een regeringspraktijk die zweert bij flexibele loonarbeid en de individuele verantwoordelijk voor maatschappelijke problemen en de hiermee gepaard gaande uitholling van de verzorgingsstaat gaat volgens deze these hand in hand met een actief, strafgericht veiligheidsbeleid, toegespitst op straatcriminaliteit en op bevolkingsgroepen die uit de boot vallen van de nieuwe economische en morele orde. Het is met andere woorden efficiënter om storende elementen uit de samenleving te verwijderen dan een gestructureerd beleid te voeren om deze groepen maximale kansen aan te bieden op het vlak van onderwijs, arbeid en cultuur.

Tijdens het schrijven van dit besluit worden er op dit eigenste moment in Anderlecht winkelruiten en bushokken ingeslagen, wagens vernield en in brand gestoken met molotovcocktails. Het lijkt allemaal absurd maar dit geweld heeft een communicatieve waarde. Er kan geen sprake zijn van ideologisch onderbouwde opstand noch van zinloos geweld. Het lijkt mij eerder een kreet van sociaal en cultureel ongenoegen: de laatste, weliswaar contraproductieve, kreet om aanvaard en opgenomen te worden in onze samenleving. Het strekt mij in mijn pleidooi om via sociale en culturele actie deze woede te kanaliseren in productieve, creatieve en communicatieve interventies die jongeren sociaal weerbaar maken en hen vaardigheden, houdingen en kennis aanreiken die helpen bij de ontwikkeling van hun persoonlijkheid en die hun positie in de samenleving versterken. Het sterkt mij in mijn pleidooi om structurele maatregelen te treffen die het onderwijs herdenken, onze arbeidsmarkt en haar activeringsbeleid socialiseren en de voorwaarde creëren waarop de emancipatie van maatschappelijk kwetsbare jongeren mogelijk wordt.

Noten:

(*) Tijdens de cipierstaking eind oktober 2009 voelen de vervangingsagenten van de politiezone Brussel-Zuid zich meester van de gevangenis van Vorst. Zij lieten er de terreur regeren en mishandelde de gevangenen. Ze aarzelden niet om de aanwezige directieleden en cipiers die tussenbeide wilden komen, te bedreigen. Vijf of zes agenten zijn de cel van een gedetineerde binnengegaan. Ze brachten hem naar de isoleercel waar ze hem dwongen zich uit te kleden. Ze sloegen met hun matrak op zijn rug en in zijn kloten. Terwijl ze hem sloegen verplichtten de agenten hem te herhalen: “De profeet Mohammed is een pedofiel” en “Mijn moeder is een hoer”. De agenten hebben ook een oud-collega die opgesloten zat wegens zedenfeiten, de hele nacht lastig gevallen. Ze dreigden ermee hem als “pedofiel” over te leveren aan de andere gevangenen. De gedetineerde is gekraakt en heeft zijn aders doorgesneden. Omdat de cipiers van de politiemensen verbod hadden gekregen nachtrondes te doen, heeft men pas bij de hervatting van het werk, om zes uur’s morgens, de man ontdekt. Hij was bijna doodgebloed…Zo blijkt althans uit het verslag van de commissie van toezicht van de gevangenis van Vorst zoals overgemaakt aan de minister van Justitie en aan de dienst Strafinrichtingen en gepubliceerd door De Standaard.

Joachim Ben Yakoub
29/01/2010
Dit artikel verscheen eerde op www.kifkif.be