Mei 2019

M D W D V Z Z
29 30 1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31 1 2
 

getuigenissen

 

Francis Vanhee, Carlos Casier, Gaston Mommaerts, Lisette Pedersen, Diane François en Jean Engelen zijn belangrijke namen voor wie de geschiedenis van De Pianofabriek wil begrijpen. We laten enkelen van hen aan het woord.

Tussen 60 en 67… Carlos Casier

De heer Casier was actief in Sint-Gillis in een periode dat Vlamingen in Brussel op de barricaden stonden om hun belangen te verdedigen. Hij heeft de eerste pogingen meegemaakt om in Sint-Gillis tot een georganiseerd Vlaams verenigingsleven te komen.
Zijn eerste contact met een Vlaamse vereniging was met Albert Boelaert, bij wie hij zich liet verzekeren in het ziekenfonds. De heer en mevrouw Boelaert waren de steunpilaren in die tijd in Sint-Gillis. Zij organiseerden, met de mensen die zij kenden via het ziekenfonds, succesvolle toneelvoorstellingen in het Aegidium.
Voor veel Vlamingen, dikwijls middenstanders van de Waterloose of Alsembergse Steenweg, was de reden voor het samenkomen het kunnen Vlaams spreken en dit buiten de huishoudelijke kring.
Een tijdje later kwamen de Boelaerts vragen om lid te worden van de toen nog hoofdzakelijke Franstalige bond van Grote en Jonge Gezinnen. Agnes Coppens, zijn vrouw was hier meteen voor gevonden want haar vader was één van de stichters van de Bond op landelijk niveau.(*)
Zij werd de drijvende kracht, en een eerste lijstje van 10 personen werd snel uitgebreid tot een 80-tal leden na intensief huisbezoek. Eén van de succesvolste activiteiten was het jaarlijkse bezoek van Sint-Niklaas aan de kinderen van de Bond, bij de mensen thuis. Het ziekenfonds zorgde voor de sinaasappelen.
Carlos Casier vertelt ook van de incidenten die er regelmatig waren met Franstaligen en hun organisaties en de moeilijkheden die men in die pioniersjaren had om een Vlaams verenigingsleven in Sint-Gillis van de grond te krijgen. Die moeilijkheden hebben er onder andere voor gezorgd dat hij er einde jaren zestig de brui heeft aan gegeven. Zo organiseerde hij voor de Nederlandstalige leden een eindejaarsfeest voor de kinderen in het Aegidium met 160 aanwezigen. Hoewel het hun niets gekost had waren de Franstalige leden van het Bestuur van de Bond hier niet mee akkoord en kreeg hij op provinciaal niveau een blaam.
Een paar jaar later is de Bond gesplitst in een Nederlandstalige en in een Franstalige afdeling. Een ander incident dat de aanleiding was tot een eerste poging om een koepelorganisatie van de Vlaamse verenigingen op te richten, vond plaats in de schoot van de toenmalige pastorale raad. Daar had men de Vlaamse missen op onmogelijke uren geplaatst om daarna tot de conclusie te komen dat er geen nood was aan Vlaamse missen, gezien het beperkt aantal aanwezigen.
Vanuit al deze problemen werd het Coördinatiecomité voor de Vlaamse verenigingen geboren. Aangesloten verenigingen waren onder andere de Bond van Grote en Jonge Gezinnen, het Christelijk ziekenfonds, een amateurtoneelgroep en het Davidsfonds. Naast Casier waren ook Boelaert en Francis Van Hee, twee toekomstige voorzitters van het trefcentrum en de sociaal-culturele raad, hier actief.
Vier maanden heeft men gewerkt aan de statuten en de interne organisatie maar het grote probleem bleek het vinden van de nodige werkingsmiddelen. De Vlaamse Gemeenschapscommissie bestond nog niet. Enkel in Etterbeek had men een soortgelijke organisatie, en bij monde van Sandor Szondi, de sterke man aldaar, werd al snel duidelijk dat er geen geld was voor een pluralistische koepelorganisatie. Dit was meteen het einde van het coördinatiecomité. Jaren later werd de Sociaal-culturele raad opgericht.

Tussen ’77 en ’91… Gaston Mommaerts

De heer Mommaerts werd actief in het Vlaams verenigingsleven als drijvende kracht achter de lokale VTB-VAB afdeling. Later was hij ook de bezieler van de Natuurvrienden om ten slotte samen met zijn vrouw zijn beste krachten te wijden aan de Vlaamse Bond van Gepensioneerden. Bekend zal Gaston Mommaerts echter altijd blijven als de man die samen met zijn vrienden het Trefcentrum in de Fortstraat oprichtte, einde jaren ’70.
Van aankoop tot verbouwingen: het trefcentrum draagt nu nog altijd de sporen van zijn werk.

Het was ook onder zijn voorzitterschap dat na jaren van werken zonder middelen, subsidies en personeel langzaam groeiden. Dit ging gepaard met een trage groei van de activiteiten met een voorzichtige opening naar de migranten.
Het is pas nadien, onder het voorzitterschap van Diane François, in de jaren ’90, dat er een exponentiële groei kwam in middelen, publiek en activiteiten en dat er ondubbelzinnig gekozen werd voor een multiculturele werking.

De heer Mommaerts stond nochtans open voor de migrantenverenigingen. Wie kwam aankloppen werd de toegang tot de zalen niet geweigerd. Centro Gallego, Txalaparta en andere zijn daarvan de getuigen. Het was staatssecretaris Rika Steyaert die bij hem persoonlijk aandrong om met migrantenverenigingen te werken, daar waar hij zich liever bleef toeleggen op de Vlaamse verenigingen.

Zoals gezegd ligt zijn grootste verdienste echter in het orde brengen van het oude gebouw van het trefcentrum aan de Fortstraat 35a. Dit deed hij zonder veel middelen en zonder dat er één verbouwingsplan werd getekend of goedgekeurd door de bevoegde overheidsdiensten. Hij ging te rade bij bevriende stielmannen, die dikwijls gratis advies gaven waarop hij en een aantal vrijwilligers aan de slag gingen. Zij verzetten bergen werk.
Zij stonden zo ten dienste van meneer Mommaerts dat hij ze op een gegeven moment zijn Apostelen noemde: het waren Léon, André, …later volgde Jean-Pol, Hugo en de anderen.
Zo werd een nieuwe en zeer succesvolle vereniging –de Apostelen- geboren die na een Ardennenkamp besloten om verder te gaan in hun filantropische arbeid. Zo organiseerden ze sindsdien een jaarlijks Sint-Niklaasfeest voor de kinderen van de Nederlandstalige scholen.

Gaston Mommaerts was lid van de VTB en de Natuurvrienden en één van de succesvolste activiteiten waarvoor hij tekende waren de jaarlijkse Jachtdiners, die samen met de kokschool van de COOVI werden georganiseerd in het trefcentrum en waar telkenmale een 700 man op af kwam. Een andere succesvolle vereniging in zijn tijd, en één die nu nog altijd samenkomt in De Pianofabriek is Steply, een dansvereniging die ook grote danstornooien organiseerde in de Bordeaustraat.

Ook de zaal van Les Assurances Populaires werd toen gebruikt naast het ‘Théatre du Parvis’ (het huidige cultureel centrum J. Franck) en het Aegidium op het voorplein, een oude, ontzettend mooie bioscoop. Dat hij al deze vreemde infrastructuren kon gebruiken was te danken aan zijn goede contacten met onder andere de burgemeesters Vranckx en Picqué.
Burgemeester Vranckx was na een bezoek aan het trefcentrum zo enthousiast dat hij op het stadhuis wist te vertellen dat die Vlamingen wel wat anders in hun mars hadden dan de Walen! Toch bleef het Mommaerts’ droom zelf over een grote zaal te beschikken, en hij wilde de oude Pianofabriek, die ondertussen aangekocht was, hiervoor verbouwen. Met de hulp van de stadsarchitect Kuypers, werden toen zelfs plannen en een maquette gemaakt voor een grote renovatie..

Tussen ’77 en ’83… Piet Ools

Piet Ools was de eerste sociaal-cultureel werker in Sint-Gillis. Hij maakte de verhuis mee van de Moskoustraat naar de Fortstraat.

“Ik ben als sociaal-cultureel werker in Sint-Gillis beginnen werken op 1 juni 1977. Het secretariaat van de Sociaal-culturele raad was toen gevestigd in de Moskoustraat, in de rijksmuziekacademie, een filiaal van Schaarbeek. Ik was de enige betaalde kracht. Ik deed ook alle administratief werk zelf. De werking was toen ook veel beperkter. De begroting ging over enkele duizenden franken.
In de sociaal-culturele raad was de rol van de verenigingen zeer belangrijk. Het moest een opkriksysteem van verenigingen zijn. Het was volle FDF-periode. De belangen van de verenigingen waren de hoofdopdracht van de SKR. Toen bestonden er een 35-tal verenigingen (van verenigingen louter op papier tot zeer actieve verenigingen). Het was de bedoeling om mensen samen te brengen. De Vlamingen in Sint-Gillis waren niet zo talrijk én leefden verspreid. Daarenboven twijfelden veel Vlamingen om zich als zodanig te profileren, veel mensen gaven alleen anoniem steun, uit schrik.
Het uitgeven van het tijdschrift ‘Te samen’ was belangrijk als contactblad.
In de Moskoustraat zelf gingen kleine activiteiten door. Er was de jeugdklub ‘Het Mutske’ dat een belangrijke dynamiek op gang bracht.
Vanuit de SKR werd ook belang gehecht in het naar buiten komen: twee, drie keer per jaar werden er grote activiteiten georganiseerd, bvb. n.a.v. de nieuwjaarsreceptie, of in september animaties en optredens in een grote tent. We lieten daarbij de gemeente niet links liggen, we hadden er onze steunpunten. Het kinderfeest van de Apostelen ging bvb. regelmatig door in cultureel centrum Jacques Franck.
De VGC kocht de oude pianofabriek van Gunther aan de Fortstraat (het huidige voorgebouw en de conciërgewoning, het filiaal van Vanderelst werkte toen nog en is pas in ’83 door de VGC aangekocht).
De VGC kon de aankoop van zo’n groot gebouw voor een kleine minderheid van Vlamingen in Sint-Gillis slechts verantwoorden als dat gebouw ook open zou staan voor andere culturen.
Dat heeft in het bestuur tot hevige discussies geleid. Maar toch stond het trefcentrum al vanaf het begin open voor een aantal goed gestructureerde migrantenverenigingen zoals bvb. Centro Gallego. Hierbij is het belangrijk om de rol van de heer Mommaerts te onderstrepen. Hij voelde zich echt een pionier voor de Vlaamse zaak. Hij heeft stappen gezet in het renovatiedossier, hij was een goede animator en ordeorganisator, hij bracht mensen samen. Vrijwilligers begonnen zelf aan de verbouwingen te werken. In de Fortstraat kwam er personeel bij: de conciërge, een gewetensbezwaarde, de eerste dac-er, 1 à 2 vrijwilligers.
Er was een danszaal waar Steply aan salondansen deed, er werd Aikido gedaan. De bibliotheek was een belangrijke aantrekkingspool. Er kwam leven in de brouwerij. Ik heb nog meegewerkt aan de voorbereiding van de erkenning als cultureel centrum.”

Tussen ’83 en ’91… Miek Rijsbosch

Miek Rijsbosch was de eerste cultuurfunctionaris van het Trefcentrum Obbrussel en dit van ’83 tot ’91. Vóór haar was wel gedurende enkele maanden Philip Lievens actief. Haar aanstelling was een gevolg van de erkenning als cultureel centrum door de Vlaamse Gemeenschap.
De oude pianofabriek was net aangekocht: de lokalen mochten om veiligheidsredenen niet gebruikt worden. Het secretariaat zat op de derde en vierde verdieping boven de conciërgewoning, enkel bereikbaar met de trap wat maakte dat men weinig of geen bezoekers had. Later met de verhuis naar het gelijkvloers van de oude pianofabriek werd aan dat euvel verholpen. Toen Rijsbosch in Sint-Gillis startte vond zij daar een 10-tal actieve verenigingen met een beperkt publieksbereik. Mede onder impuls van haar voorzitter voltrok zich een zekere vernieuwing in het verenigingsleven. Naast de klassieke, vaak zuilgebonden verenigingen werd het accent verlegd naar de hobby- en doe verenigingen: de schaakclub, de filmclub, de Kung fu-vereniging enz. Een tweede verschuiving kwam er naar de migrantenorganisaties: Centro Gallego, de Basken, de Berbers enz… Dit alles werd vastgelegd in een eerste basistekst van ’86 waar werd gekozen voor een artistieke pluriculturele werking. Jaren later, in ’91, toen Miek al vertrokken was, zou dit uitmonden in een beleidsnota ‘culturencentrum De Pianofabriek’. Rijsbosch en de toenmalige mensen hebben echter de basis gelegd voor deze werking en dit is niet altijd gemakkelijk gegaan. Toch meent zij dat de Vlaamse gemeenschap hierin groeide, dat zij zich minder bang opstelde en openingen toeliet naar de andere gemeenschappen en dit in het Vlaamse Centrum. Het was ook de enige oplossing: sommige Vlamingen bevonden zich ‘in vrijwillige gevangenschap’ in Brussel, de weekends verlieten ze Brussel, in de week werkten ze in Brussel en gingen ’s avonds naar het trefcentrum om elkaar te ontmoeten. Zij hadden geen contacten met andere Brusselaars wat maakte dat zij zich niet thuis voelden in Brussel.
Eén van de succesvolste initiatieven van toen was het organiseren van Nederlandse lessen voor kinderen en volwassenen. Piet Ools was hiermee gestart en na een tijdje had men een 100-tal leerlingen die één of tweemaal per week les volgden en dat in een tijd dat er van NT2 nog geen sprake was. Een andere succesvolle activiteit waren de culturele meerdaagsen waaraan alle verenigingen meewerkten en in het kader waarvan ook de eerste optredens en exposities werden georganiseerd. Een hoogtepunt hiervan was de meerdaagse onder het thema ‘Culturen als buren’.
Wanneer dit geschreven wordt heeft minister Chabert net zijn laatste beleidsbrief voor de gemeenschapscentra klaar. Miek Rijsbosch vond dit altijd een beetje het zwakke punt in het verleden, het is ook één van de redenen waarom ze weggegaan is: het ontbreken van een daadwerkelijke visie over de rol van de gemeenschapscentra in Brussel en het ter beschikking stellen van de nodige middelen.
Sint-Gillis heeft zij altijd een zeer aangename gemeente vonden, dit mede ingegeven door de grote verscheidenheid van de gemeente en ook de rijkdom aan mooie straten en pleintjes. Zij vergelijkt Sint-Gillis een beetje met een havenstad en haar kosmopolitische dynamiek.

Van 91 tot … Jean Engelen

Geschiedenis

Het gemeenschapscentrum is met de jaren geëvolueerd in haar werking. Ik heb dat sinds begin jaren ‘90 meegemaakt. De Vlaamse kern bestaande uit Vlamingen die om den brode in Sint-Gillis waren beland dooft stilaan uit. Ook het klassieke verenigingsleven gaat zienderogen achteruit. Het trefcentrum en de socio-culturele raad smelten samen tot het gemeenschapscentrum en de overheid zorgt voor een hogere subsidie, waardoor het centrum de kans krijgt om andere activiteiten te organiseren. Het centrum krijgt meer en meer volk over de vloer. Ook anderstaligen nemen deel aan het brede gamma van het cursusaanbod, of komen op onze festivals of concerten af. De laatste jaren voor 2000 zijn scharnierjaren.
De Pianofabriek gaat zich in die periode ook culturencentrum noemen. De multiculturele werking zorgt ervoor dat De Pianofabriek meer en meer aan belangenbehartiging doet,vaak in samenwerking met andere actoren uit het sociaal-culturele veld van de gemeente of het gewest. Het wordt meer en meer een buurthuis, bruisend van initiatieven, zeer lokaal enerzijds en openstaand naar Brussel tout court en Vlaanderen.
Ook de artistieke pool wordt niet vergeten. Artiesten van allerlei pluimage zijn hier in residentie, hebben een atelier, zorgen voor interventies tijdens de opendeurdagen etc. Hoe groot de infrastructuur ook is, de vraag blijft groter dan de mogelijkheid tot aanbod.
Onthaal, cultuur, vorming en belangenbehartiging zijn de sleutelwoorden waarrond dit centrum haar activiteiten zal blijven uitbouwen. Verbouwen werd een ander cruciaal woord.
En dit alles vanuit een filosofie die de verdergaande dualisering die het hoofdstedelijk gewest treft, een andere wending mee probeert te geven. En dat kan alleen maar door respect voor de eigen cultuur maar vooral, in zo’n bonte gemeente als Sint-Gillis, door zich te laten boeien door andere culturen. De prachtige luitconcerten, de kinderwerking, de vrouwenwerking en zoveel dingen meer zijn vanuit dit aanvoelen ontstaan.
Een huis met vele kamers, een huis met vele werkingen. Eerst en vooral een gemeenschapscentrum met sterke aandacht voor een kinderwerking waar het omgaan met het Nederlands van belang is maar waar het veel belangrijker is dat er samen wordt gespeeld, dat er creatieve activiteiten doorgaan, etc. Maar ook de volwassenen mogen we niet in de kou laten staan. Want ook al is dat klassieke zuilgebonden verenigingsleven weg, dat neemt niet weg dat er nieuwe vormen van samenkomen zijn rond nieuwe thema’s zoals mobiliteit, duurzame ontwikkeling, huisvesting, enz.
Maar er is ook de opleiding licht- en geluidstechnieken, er is de kunstenwerkplaats, er is de diversiteitswerking.

30 jaar De Pianofabriek is 30 jaar mensen die elkaar hier ontmoet hebben op een cursus tango, op een debat, tijdens een festival, omdat hun kinderen hier hun huiswerk komen maken, op een lezing van Breinbrekers, bij een vernissage, terwijl ze een atelier deelden, hier een opleiding volgden, over De Pianofabriek gehoord hadden en hier een muurschildering achterlieten, kortom een zeer diverse waaier aan mensen die zich deze plek blijven herinneren.
De laatste jaren bemerk ik nieuwe tendensen in De Pianofabriek. Waar er vroeger Nederlands werd gesproken in een soort getto, wordt het Nederlands in dit centrum vaak een tweede of derde taal van iemand uit een taalgemengd milieu of die Nederlandstalig onderwijs heeft gelopen of die interesse heeft voor de Nederlandse cultuur tout court. Ik geloof inderdaad dat er hier nu meer Nederlands gesproken wordt dan vroeger, niet zozeer om een belang te behartigen maar gewoon omdat we met elkaar wensen te communiceren. Respect voor correcter Nederlands is misschien wel een opdracht voor dit centrum. Misschien is ook het type ‘Vlaming’ veranderd.
Een andere tendens is het belang dat er gehecht wordt aan de vrijwilligers. En ik heb het hier niet in de eerste plaats over de Raad van Bestuur. Er komt een nieuw élan in de gemeenschapsraad, een directere betrokkenheid, die veel meer ingegeven wordt vanuit een erkennen van het belang van een gemeenschapscentrum dan om een louter present zijn om voor zijn eigen vereniging op te komen. Ook individuen engageren zich meer en meer. Het is ook de taak van het centrum om de verzuring tegen te gaan, om een plek te zijn waar niet commercie het laatste woord heeft, maar contact en ontmoeting.

Bestuur en Personeel

De Raad van Bestuur was, globaal genomen, oorspronkelijk samengesteld uit mensen die hun ding kwamen doen in functie van hun eigen achterban of vereniging. Vanaf de jaren ‘90 kwamen mensen aan bod die verder keken dan hun eigen horizon; de aanwezige migrantenverengingen werden meer bevraagd en geïntegreerd in de werking. Toen het verenigingsaanbod verschraalde is men niet op zoek moeten gaan naar nieuwe activiteiten, er borrelde van alles op: een jongerenwerking die zich niet beperkte tot de Vlaamse jongeren, festivals en een cursusaanbod. Activiteiten die mensen uit heel de buurt en soms uit andere Brusselse gemeentes en Vlaanderen aantrokken.

Ook de rol van de bestuurder verandert. Hij wordt veeleer een stadsbewoner die feedback geeft, die noden en kansen suggereert, die mensen en netwerken aanbrengt. Hij wordt meer dan vroeger verantwoordelijk voor het geheel van de activiteiten die in het centrum plaatsvinden. Niet als een big brother maar als beheerder van de gemeenschapsgelden door er bijvoorbeeld op te letten dat we niet de commerciële tour opgaan of onze sociale rol verwaarlozen. Als bestuurder en Brusselaar krijg je ook informatie die personeelsleden zelden te horen krijgen: De Pianofabriek heeft een ruime naambekendheid gekoppeld aan een positieve appreciatie ... als bestuurder kan je zo in beide richtingen doorverwijzen en sterktes en zwaktes detecteren met alle begrip voor de programmatorische vrijheid van het personeelsteam.

Vroeger waren bestuurders autoritairder en de personeelsleden zorgden voor de administratieve ondersteuning en het uitvoeren van de opdrachten. Er moet wel vast gesteld worden dat er ook veel minder activiteiten waren vermits er veel minder financiële middelen voorhanden waren. De laatste jaren zou je kunnen zeggen dat aan de bestuurders te weinig feedback over de programmatie wordt gevraagd.
De zakelijke kant is veel complexer geworden: bestuurders moeten dit op een kritische manier en van op een zekere afstand blijven bekijken.
Ook de personeelsploeg is veranderd: onder meer door opleidingen maar vooral door de veranderde job-inhoud. Door de diversiteit van de activiteiten en het publiek merk ik een zeker kritisch enthousiasme onder de ploeg die er 10 jaar geleden niet was: de jobs hebben gewonnen aan creativiteit en verantwoordelijkheid.

Blijvend
Een constante is dat mensen zich altijd thuis gevoeld hebben in De Pianofabriek. De Pianofabriek komt zeer positief over bij de buurtbewoners en elders in Brussel. Het publiek is sterk veranderd, ook bij de activiteiten die al lang worden georganiseerd zien we een andere mix...de gekende ‘mixité’ creëert zich mee in het centrum en verandert mee met een veranderend Brussel.

Toekomst
Een grote troef blijft de uitbouw van de kinderwerking: kinderen uit de buurt moeten bij ons terecht kunnen in creatieve polen waar Nederlands gesproken wordt. De gemeente heeft hier ook een opdracht.
Wanneer de halftijdse cultuurfunctionaris voltijds ingezet zou worden, dan kunnen de opborrelende sociaal-culturele activiteiten in het bijzonder naar Vlamingen toe verder ontwikkeld worden.
Een zorg voor de toekomst is dat de creativiteit van vroeger blijft bestaan nu er veel meer middelen en ondersteuning voorhanden zijn. Er moet voldoende vrijheid blijven om creatief naar nieuwe dingen te zoeken. We draaien mee in grotere structuren, maar moeten blijvend oog hebben voor de kleine initiatieven die vaak afwijken van de heersende formats. Niet te snel denken dat men goed bezig is omdat er van alles bestaat en gebeurt of aangeleverd wordt. Niet vastslibben maar de deur op een kier houden zodat wij, bezoekers, bestuurders en personeel, onze eigenheid steeds opnieuw op een lucide manier kunnen uitvinden.