Maa 2019

M D W D V Z Z
25 26 27 28 1 2 3
4 5 6 7 8 9 10
11 12 13 14 15 16 17
18 19 20 21 22 23 24
25 26 27 28 29 30 31
 

Ongezien! Brussels got talent!

Ongezien! Brussels got talent!

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet. Het beweegt, in Brussel, in het artistieke landschap. Het is wat anders dan we gewoon zijn te zien, maar het maakt ontegensprekelijk deel uit van de stedelijke realiteit anno 2012. En de kleur is ... niet de onze?! Terwijl de culturele sector met de handen in het haar zit rond diversiteit, nemen jongeren met een migratieachtergrond in Brussel het heft in eigen handen. Autonoom broeden ze hun creatieve ei uit.

 

Jongeren en Brussel: het zijn twee woorden die in combinatie een hoop voornamelijk negatieve associaties met zich brengen. Het mag herhaald worden. Brussel in het algemeen en Brusselse jongeren in het bijzonder worden overwegend negatief in beeld gebracht. Zij komen in het vizier wanneer het gaat over overlast, onveiligheid en seksisme. De verhouding van jongeren tot de stad is niet complexloos, maar het is wel frappant dat een deel van de stedelijke realiteit helemaal aan ons gezichtsveld onttrokken blijft. Nochtans wordt de jeugd in Brussel mondiger. Ze laat van zich horen in verschillende artistieke expressievormen, verder dan de gangbare hiphopclichés.

Tegelijk werkte het Brussels Kunstenoverleg tot voor kort aan de interculturalisering van de kunstensector, door vooral te kijken naar de samenstelling van personeel en publiek, naar de taak van het management en de publiekswerker. Er werd een klein ballonnetje opgelaten over de interculturalisering van de programmering en een summiere staalkaart gemaakt van informele culturele praktijken. Er werd voornamelijk besloten dat het artistieke aanbod gevoelige materie is, waar je niet zomaar voorwaarden aan kan stellen. Deze kwestie wordt door de steunpunten Dēmos en VTi verder opgenomen in hun onderzoek naar werk- en broedplaatsen. Wat is er nodig om de in- en doorstroom van artiesten van niet-westerse origine in de cultuur- en kunstensector te verbeteren?

AANKLACHTEN MET ZELFSPOT

De jongeren van Ras El Hanout, een Brussels collectief dat via theater de sociale en culturele situatie van minderheden thematiseert, ondernamen in 2011 een studiereis naar New York, Atlanta en Washington om zich onder te dompelen in de geschiedenis van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging van vorige eeuw. Eenmaal terug thuis bekeken ze de strijd van Afro-Amerikanen voor gelijke rechten, tegen discriminatie en voor empowerment in het licht van de actuele situatie van minderheden in Brussel. Dat leidde tot twee aangrijpende theaterstukken: Fruit étrange(r) en 381 jours. ‘Fruit étrange(r)’ verwijst naar het uitvoerig gecoverde en antiracistische jazznummer ‘Strange Fruit’, origineel gezongen door Billie Holiday. Het lied is een poëtische aanklacht tegen de lynchpartijen in het zuiden van Amerika, waarbij lijken van Afro-Amerikanen als vreemdsoortige vruchten in de bomen kwamen te hangen. Het toneelstuk Fruit étrange(r) actualiseert dat tot een scherpe veroordeling van de gespannen tegenstelling tussen latent en manifest racisme, tussen onzichtbare meerderheid en zichtbare minderheid.

Terwijl Fruit étrange(r) enkel de lokale en dagelijkse beleving van discriminatie ensceneert, gaat 381 jours een stap verder. Deze voorstelling is een reis in de tijd, een mise-en-scène van een onwaarschijnlijke confrontatie tussen het Amerika van de twintigste eeuw en het hedendaagse Brussel. De titel verwijst naar de legendarische, 381 dagen durende Montgomery Bus Boycott in december 1954, die ontsproot uit de weigering van Rosa Parks om haar zitje af te staan en die ervoor zorgde dat de segregatie in het publieke transport onwettelijk werd verklaard. De parallel tussen beide periodes biedt de voorstelling de ruimte om doordacht in te spelen op actuele thema’s, zoals de solidariteitsbeweging rond Ali Aarras, een Belgisch-Marokkaanse politieke gevangene. Luchtig wordt ook de neutraliteit van het Belgische gerecht in vraag gesteld. De decalage in tijd en ruimte zorgt verder voor een merkwaardige stoelendans. Zo wordt een passage met boude racistische uitspraken van een blanke vrouw in het Amerika van de jaren 1950 nu vertolkt door een Belgisch-Marokkaanse actrice met hoofddoek. 381 jour werpt pertinente vragen op, die een beter begrip van de leefwereld van de jongeren toelaat.

Hoewel nog steeds wat onzeker, stuntelig en met de nodige dosis plankenkoorts, toont zich bij een bepaalde minderheid in onze hoofdstad een ware revival van dramatisch theater. Dit nieuwe elan richt zich niet enkel tegen wantoestanden, maar is ook beschouwend en kritisch voor de eigen gemeenschap. Zo wordt het heikele en gevoelige thema van het huwelijk in al zijn facetten geënsceneerd in Le mariage de Laila van de islamitische scouts Les Fourmis. Met een typisch Belgische zelfspot passeert het ene na het andere cliché de revue. Deze clichés maken vooroordelen binnen de Maghrebijnse gemeenschap bespreekbaar en verliezen zo veel van hun geloofwaardigheid. Een gelijkaardige aanpak zie je in het tweede stuk van Les Fourmis. P(l)oubelle l’école zet vanuit het perspectief van scholieren en leraren de problemen van concentratiescholen in scène.

Sluimerende zelfspot typeert ook talloze stand-upcomedy shows, die in Brussel echt aan het boomen zijn. Niet alleen Ramzi Zerqane, die meermaals een podium kreeg in het Vlaams-Marokkaanse huis Daarkom, maar ook de leden van Scène d’up of Bx Stand-Up Comedy Club bieden een inkijk in de leefwereld van Brusselse jongeren, overgoten met een stevige saus humor en zelfrelativering. Geen enkel onderwerp is taboe. Ze hebben maar één doel: lachen.

EEN UITVERKOCHTE BOZAR

Veel van deze theatervoorstellingen hebben overal in Brussel gespeeld: van het kleine gezellige cultuurcentrum, via het speciaal voor de Maghrebijnse gemeenschap opgerichte Espace Magh tot grote huizen als Bozar. We zien hoe kunstencentra die het wagen om deze jongeren een podium te bieden, een publiek bereiken dat allesbehalve als white, male & middle class te bestempelen valt. Hun voorstellingen zijn systematisch uitverkocht. Zo greep Abdel Scène d’up met beide handen de kans om Bozar volledig in te palmen met een comedy-avond. ‘Wie staat er voor een uitverkochte Bozar? Wie staat er voor een uitverkochte Bozar?!’ De scène waarin Abdel van zichzelf een foto neemt in een volle zaal M, staat in het geheugen van velen gegrift. Mocht Bozar het lef hebben gehad om deze avond zelf mee te promoten, was het publiek zeker diverser geweest.

In dat licht is het stuk You can do whatever you want around a sleeping elephant, but when he wakes up he tramples everything vermeldenswaardig. De publiekswerking van de KVS realiseerde deze ode aan Muhammad Ali in het voorjaar van 2012 met drie verschillende Brusselse boksclubs. Het siert de KVS om inclusieve projecten op te zetten voor en met de stad, vanuit een uiterst originele en belangrijke invalshoek. Alleen, waarom werd er niet aangesloten bij de bestaande beweging van jonge theatermakers? De grassroots theaterbeweging in Brussel neigt meer naar een klassieke dramatische esthetiek dan dat ze aansluit bij de gangbare vormen van het hedendaagse Vlaamse theater. De vraag naar de rol die de kunstensector in deze context kan opnemen, dringt zich dus op. Maar één ding staat vast. Brussel bruist van het talent. De sterk doordachte mise-en-scènes en het overvloedig aanwezige en overtuigende acteertalent doen vermoeden dat er een verzekerde opvolging is voor de grote broers van theatercollectief Les Voyageurs Sans Bagage, bekend voor hun stuk La vie c’est comme un arbre, dat vorig seizoen te zien was in onder meer KVS en Zuiderpershuis.

QUAND LE SYSTÈME TE TUE...

In de kortfilm Brussels Express volgen we, in de buitenwijken van Sint-Gillis, de parallelle verhaallijnen van twee hoofdpersonages: Biskot en Moussa. De film begint met een tiental moto’s en een squad die met de nodige show voorbij de gevangenis van Sint-Gillis scheuren. De ‘Kamikaze Riders’ pikken Moussa op, die net is vrijgelaten. Op zware beats van de Brusselse hiphopformatie La Revolte maken we de bevrijdingsrit van dichtbij mee. Intussen wordt Biskot, een jongen van zestien, uit de klas gegooid omdat hij niet bij de les is. Ondanks de druk van zijn vriendenkring hangt hij liever rond op straat dan mee te gaan naar de boksles, waar discipline hoog aangeschreven staat. Ook een mogelijke vakantiejob laat hij links liggen. Tegen de goede raad van de grote broers op de hoek van de straat in, wil hij voor ‘het gemakkelijke geld’ kiezen. Moussa van zijn kant zit algauw weer opgesloten, met zichzelf en een kalasjnikov in een kelder. Hij grijpt de kijker naar de keel, klaagt de wantoestanden in het onderwijs aan en dreigt het heft in eigen handen te nemen. ‘Quand le système te tue, tu tues le système!’ Uiteindelijk wordt Biskot van straat gepikt en krijgt hij een lift van Moussa, die hem hardhandig tot rede tracht te brengen.

Brussels Express is de eerste Brusselse street fiction. Althans, zo benoemt maker Moussa Sah het zelf. Hij is niet de enige die zich waagt aan autonome beeldvormingsprocessen bij jongeren. Oualdlhadj Nordine en Lezrek Omar hebben met Caméra Quartier de eerste webserie gelanceerd waarin jongeren het beste van zichzelf geven om met een humoristische korrel zout uitdrukking te geven aan het leven zoals het is in Schaarbeek. Jeep Novak realiseerde in 2011 ook al La cage RPZT, een fictiefilm over de leefwereld van jongeren bij een boksclub in de Berenkooiwijk in Schaarbeek. Wie ernaar op zoek gaat, kan er niet meer naast kijken. Het internet bulkt van filmpjes gerealiseerd door jongeren. Ze schotelen een rauw en authentiek beeld voor van een segment uit de samenleving dat nauwelijks gehoord of gezien wordt.

De middelen zijn voorhanden en jongeren bespelen ze uiterst performant. Autonoom vormen ze zich in verschillende artistieke disciplines, waarbij ze volledig voorbijgaan aan daartoe voorziene instellingen als hogescholen, werkplaatsen, cultuur- en kunstencentra. Zij hebben het perfecte wapen gevonden om terug te vechten tegen de stereotypen die in de brede samenleving over hen leven. Ze schreeuwen hun identiteit van de daken, gaan het maatschappelijke debat aan en zijn zelfkritisch. Zij staan te popelen om gezien te worden. Maar hun geschreeuw blijkt slechts een galmende echo in een arena vol opinies die de mond vol hebben over ‘de jongeren in Brussel’.

EN DE KLEUR IS…

Hoe komt dat, dat niemand hen hoort, niemand hen ziet staan?Omdat de meesten onder hen Franstalig zijn en wij Vlamingen alles wat in onze hoofdstad Franstalig is, verdringen? Omdat de meesten onder hen moslims zijn en wij nu wel al een tijdje ons beeld over dé islam gevormd hebben? Omdat het hier overwegend gaat om jongeren met een migratieachtergrond en wij migranten liever uit ons gezichtsveld houden? Het antwoord is helaas niet zo eenduidig.

Wel is het verhelderend om te kijken naar Cinema Inch’Allah!, de nieuwe documentaire van Vincent Coen en Guillaume Vandenberghe. De film brengt het leven en werk van vier Belgo-Marokkaanse filmmakers in Brussel op meesterlijke wijze en oprecht in beeld. De documentaire toont ontegensprekelijk aan dat de drang naar autonome zelfrepresentatie bij jongeren met een migratieachtergrond in onze hoofdstad niets nieuws is. Noon, Reda, Farid en Mohammed hebben immers al een dertigtal fictiefilms op hun conto staan. Niettemin gingen de makers van Cinema Inch’Allah! op zoek naar religieuze uiterlijkheden als antwoord op de complexe vragen die hun pad kruisten, waardoor de focus van de documentaire komt te liggen op wat deze protagonisten zo anders maakt. De vraag waarom de dertig films van Noon, Reda, Farid en Mohammed enkel een belletje doen rinkelen binnen hun eigen netwerk of gemeenschap, blijft dan ook grotendeels onbeantwoord.

Met de beste intenties zijn er ontelbare pogingen geweest om de problemen die jongeren in onze hoofdstad ervaren, in beeld te brengen. Niettemin slaagt men er zelden of nooit in de eigen bril af te zetten en onvoorwaardelijk te luisteren naar wat jongeren zelf te vertellen hebben, te kijken naar wat zij van zichzelf willen tonen en mee te voelen met hun dagelijkse realiteit. Men blijft vasthouden aan een eendimensionaal beeld dat hun fundamentele andersheid telkens opnieuw bevestigt. ‘Allochtonen’, in plaats van ‘artiesten’. Gevoelig zijn voor het artistieke experiment dat zich autonoom ontwikkelt, biedt een uitweg uit deze impasse. We dreigen immers verblind te worden door de extreme stereotypen over de ander in het algemeen en de islam in het bijzonder, zoals Bie Vancraeynest het treffend beschreef in haar column ‘Opstand in Molenbeek’ in MO*. Dit experiment, deze broedplaats ondersteunen zal ons niet enkel helpen te zien, maar de jongeren in kwestie ook recht geven op waar zij recht op hebben: culturele en artistieke ontplooiing.

Het culturele landschap en de kunstensector hebben een verantwoordelijkheid om deze beweging van jonge multidisciplinaire artiesten te steunen. Er moet bovendien ruimte gemaakt worden in het Kunstendecreet om dit initiatief van onderuit te stutten. Natuurlijk kan de samenleving niet al haar problemen op de kunstensector afschuiven. Oplossingen moeten gezocht worden over de verschillende sectoren heen, niet in het minst in het onderwijs en in de aansluiting ervan op het werkveld. Toch kan de culturele sector alle verantwoordelijkheid ook niet zomaar afschuiven op het onderwijs of de bredere samenleving. De kunsten zijn zelfs de enige sfeer waar andersheid gethematiseerd zou mogen worden. Paradoxaal genoeg dienen we net daarom de culturele en de kunstensector te de-culturaliseren in plaats van te inter-culturaliseren: ons bewust worden van de culturele subjectiviteit van onze eigen blik en ruimte scheppen om die te doorprikken, zodat we de ander weer kunnen zien zoals hij zich voorstelt.

Wie zicht houdt op alle informele broedplaatsen voor opkomend talent die Brussel rijk is, vermijdt te verzanden in kunstmatige beleidsconstructies die van de vreemde en onbereikbare ander ook echt iets eeuwig onbereikbaars maken. De nieuwe kunstvormen die hierboven aan bod kwamen, maar ook die vormen die nog ontdekt moeten worden, hebben meer dan ooit nood aan middelen en infrastructuur om te kunnen doorgroeien tot wat zij eigenlijk al lang hadden kunnen zijn, mochten we niet verblind zijn door... onze kleur, zeker?

Joachim Ben Yakoub werkt als stafmedewerker beeldvorming en diversiteit bij de Pianofabriek. Als vrijwilliger is hij actief bij Kif Kif.

 

Dit artikel verscheen in Rekto-Verso Nr. 54 november - december 2012